Frederik de Ruuk

Frederik de Ruuk

03-06-1909 Loemadjang (Java/NL-Indië) – 26-08-1944 Nagasaki (Japan)

Frederik (roepnaam Frits) André de Ruuk werd geboren te Loemadjang, bij de suikerfabriek Soekodono, waarvan zijn vader Anthonij Adriaan de Ruuk de administrateur was.

Deze vestigde zich in 1895 op Java, dat toen behoorde tot Nederlands-Indië. Zijn moeder was half Nederlands, half Indonesisch. Zij had zoals zij dat toen noemden een inlandse moeder.

Hij groeide samen met zijn broers en zussen op in Nederlands-Indië. Het gezin telde 5 kinderen, 3 zoons en 2 dochters, waarvan de oudste zoon op jonge leeftijd overleed.

In 1916 vertrekken zijn oudste broer Willem (Willy) en zus Antonia (Tony) naar Nederland om daar hun schoolopleiding te vervolgen. Het is in die periode dat zijn oudste broer Willy op 17 jarige leeftijd komt te overlijden aan de gevolgen van een epileptische aanval in 1920. Later dat jaar keert de gehele familie terug naar Nederland. Frits is dan 11 jaar.

In 1921 wordt zijn vader directeur van het filiaal van de Geldersche Credietvereniging te Oosterbeek. De hele familie vestigt zich ook hier in Oosterbeek. Tot zijn overlijden in 1930 blijft A A de Ruuk hier directeur.

Frits de Ruuk gaat in Nederland van 23 oktober 1928 t/m 16 juli 1931 studeren aan de Koloniale Landbouw School (KLS) te Deventer. Na zijn studie te hebben afgerond is hij dienstplichtig militair bij het leger in Nederland en heeft hij een baan als kantoorbediende.

Rond 1935 ontmoet hij zijn toekomstige vrouw, Anna Israël.
Eind 1936 zit Frits zijn dienstplicht erop. Hij besluit begin 1937 terug te keren naar Nederlands-Indië en reist zijn oudere zus Tony achterna. Deze is in 1931 al teruggekeerd naar NL-Indië en aldaar getrouwd met Hugo Stout, destijds werkzaam bij en later directeur van de Handelsmaatschappij Internatio. Frits gaat als planter op een rubber en koffie onderneming werken genaamd “Gerengredjo” te Petoeng/Djember, welke zich op Oost-Java bevindt.

Anna is achtergebleven in Nederland, maar tijdens deze periode schrijven zij elkaar vele brieven. Voor het vertrek van Frits was het al het plan geweest dat Anna achteraf ook zou overkomen.
In juli 1937 verloven Frits en Anna zich op afstand, waarna begin 1938  zijn verloofde met de boot in de haven Tandjong Priok te Batavia aankomt. Binnen twee weken na aankomst zijn zij getrouwd.
Niet veel later neemt ook zijn jongere broer Lambertus (Bart) de boot naar Indië. Waarna de rest van de familie ook zal volgen. In 1939 komt zus Mimi (Mies) aan, gevolgd in 1940 door de moeder van het gezin, Antoinette Gerardine Jacoba de Ruuk-van der Hout (Dien).

Op 5 juni 1941 te Djember, wordt de zoon van Frits en Anna, Ronald Willy de Ruuk geboren. Al gauw hierna wordt Frits overgeplaatst naar een andere onderneming. Namelijk de rubberonderneming “Redjosari” op het nabijgelegen eiland Sumatra, te Tandjong Karang, wat zich in het zuiden in de Lampongse districten bevond.

Eind 1937 wordt Frits opgeroepen als dienstplichtig militair van het KNIL.
Hij had KNIL stamboeknr. 199209 en was militie sergeant 1e klasse.
Op 23 oktober 1941 wordt de situatie met Japan grimmiger en wordt hij opgeroepen door het KNIL om vervolgens 4 weken naar Lahat, Sumatra te worden gestuurd, met het 4e landstorm bataljon. Hij blijft hier niet langer dan een week nadat zijn verzoek tot uitstel is ingewilligd vanwege de geboorte van zijn zoon. Op 9 december 1941 wordt de oorlogsverklaring van Japan met Nederlands-Indië echter bekend gemaakt en wordt hij wederom opgeroepen door het KNIL in Lahat, Sumatra. Hij zal zich hier t/m ca 13 december 1941 bij aansluiten. Hierna veranderen zij van locatie naar het Garnizoensbataljon voor Palembang en Djambi, te Sumatra. Onmiddellijk na de oorlogsverklaring van Japan stuurt hij zijn vrouw en kind per boot terug naar Java waar zij intrekken bij zijn moeder, die in Malang woonde.

In Januari 1942 worden zijn vrouw, kind, moeder en zus gevangen genomen in kamp Malang de Wijk samen met 2000 andere vrouwen en kinderen uit de omgeving. In november 1941 waren hier al 5000 vrouwen en kinderen gevangen genomen. Waar de spanningen in Europa al volop aan de orde van de dag waren en de daar wonende schoonfamilie van Frits al was gevlucht, ondergedoken of gevangen was genomen, begon in Indië alles pas.

Op 20 februari 1942 stuurt Frits een telegram aan zijn vrouw vanuit het Bataviacentrum 829. Ze zijn op dat moment nog niet gevangen genomen. Maar de troepen van het KNIL van Palembang en Djambi moesten zich noodgedwongen terugtrekken op Java, omdat de Japanse divisie Palembang had veroverd. Op 8 maart 1942 worden ook hij en zijn jongere broer Bart door de Japanners gevangen genomen. In april stuurt hij een laatste brief aan mijn grootmoeder vanuit de luchtdoelkazerne te Bandoeng.

Volgens een latere kampgenoot wordt Frits in Bandoeng geïnterneerd in het Tjimahi kamp en in Batavia in de Glodok gevangenis. Waarna hij wordt overgeplaatst naar het HBS-kamp te Soerabaja, en van waaruit hij samen met zijn broer op de boot wordt gezet op 1 februari 1943, met de Maebashi Maru 2 (Java Party 12; het 12e krijgsgevangenentransport dat van Java vertrok) naar Singapore, waar zij bij aankomst getransporteerd worden naar de kazernes van Changi. Op 2 april 1943 vertrekken zij vervolgens met de Hawaii Maru 1. 1000 van deze krijgsgevangenen gaan naar Japan, de rest naar Thailand.

Na een lange, vreselijke reis, waardoor zijn broer Bart, net als vele anderen ziek is geworden, komen zij uiteindelijk aan in Moji, een havenplaats in Japan, vlak boven Fukuoka, op 24 april 1943.
Hier wordt hij gescheiden van zijn broer. Frits wordt ’s nachts per trein overgebracht naar kamp Fukuoka 14B in Nagasaki samen met 300 andere krijgsgevangenen en komt daar de dag erna aan. Zijn broer wordt overgebracht naar kamp Fukuoka 13B/ Hiroshima 2B in Niihama en komt hier 2 dagen later aan. Enkele dagen later op 1 mei 1943 overlijdt zijn broer Bart aan een acute dikke darm ontsteking.

Frits zijn vrouw en kind komen samen met zijn moeder en zus terecht in kamp Banjoe Biroe XI, gevolgd door kamp Solo. Zij zullen de oorlog overleven.

Op 21 augustus 1944 wordt Frits ziek door de ontberingen van het kamp. Vijf dagen later op 26 augustus 1944, overlijdt hij op 35 jarige leeftijd wegens longontsteking en uitputting in kamp Fukuoka 14b Nagasaki, Japan. Met zijn hand in die van een medegevangene. Deze kampgenoot mocht zijn urn achteraf naar de kathedraal dragen die zich naast het kamp bevond. Hij kreeg de persoonlijke spullen van Frits mee die hij na de oorlog aan zijn vrouw heeft gegeven.

Frederik de Ruuk
Frederik de Ruuk

In een brief uit 1946 schrijft deze kampgenoot het volgende:

“Hij moest werken op de scheepswerf van de Mitsubishi. Hij trof ’t heel slecht en kwam in een van de zwaarste ploegen. Voornamelijk sjouwerswerk.

Eind 1943 werd ik z’n kamergenoot. Hij was m’n kamer oudste. En daar heb ik hem leren kennen. Hij verschilde zo erg van de anderen. Leefde z’n leven eenvoudig en altijd bereid om te helpen. Veel hebben we gepraat over z’n werk en ook over u. Liet me z’n foto’s zien die hij als voornaamste bezit bij zich hield. Alles was ons afgenomen alleen dat had hij met de uiterste moeite weten te redden. ’n Herinnering aan u en z’n kind.

Ik ben ongetrouwd nog maar een jongen van 25 jaar. Stond schouderophalend tegenover ’t hele leven. Lachte om idealen van geluk. Maar in hem zag ik dat er toch idealen waren te midden van de diepste ellende. Toen kwam de verschrikkelijke winter van 1943-1944. ’t Is een hel geweest. Tientallen verloren we.

Maar hij vocht z’n onmenselijke ongelijke strijd. Kapotte schoenen, gescheurde kleren, helse kou en hard werken. Dit heeft hem de grote klap gegeven. Had veel last van z’n maag en takelde zienderogen af. De lente bracht enige verandering. In februari werd ik zelf naar de werf getrapt. In dezelfde tredmolen als hij. Meestal liepen we nu samen. En vaak liet hij me de schoonheid zien van de mistige haven. De schoonheid van Japan. ’n Schelle tegenstelling . Begin augustus 1944 begon hij ernstig te sukkelen. Last van beri-beri. ’t Lopen ging erg lastig. Daarbij liep hij nog ’n bronchitis op die maar niet wilde verdwijnen. Onze Doktoren stonden machteloos. Gebrek aan medicijnen en eeuwig en altijd de Japanse dokter met ’t veel te vroeg naar ’t werk sturen van de patiënten.

Ik wist als verpleger de droeve harde waarheid en heb hem zachtjes voorbereid. Ik heb over alles gepraat. En rustig nam hij de harde waarheid aan. Maar gewonnen gaf hij zich niet. Hij zou vechten tot ’t aller allerlaatste.”

De urn van Frederik André de Ruuk werd op 24 juli 1948 bijgezet in het Columbarium, op het ereveld Menteng Pulo, te Jakarta, Indonesië. Urn nummer 8, nis L.

Eleonore de Ruuk: “Mijn grootvader heeft mij nooit zijn verhaal kunnen vertellen. Vandaar dat ik enkele jaren geleden zelf op zoek ben gegaan en door middel van allerlei documenten, bewaarde brieven en foto’s zelf zijn verhaal tot leven heb proberen te brengen”.  

Translate »