Artikel uit De Groene Amsterdammer

Twintig minuten na de explosie van de atoombom in een buitenwijk van Nagasaki, 9 augustus 1945. Bron: © Hiromichi Matsuda / Wikimedia Commons / Public domain.
Na de bom op Nagasaki
Levenslange nachtmerries
Nederlandse krijgsgevangenen zagen hoe Nagasaki op 9 augustus 1945 veranderde in een hel. Nu is de boodschap: dit moet de laatste plek zijn waar een atoombom ontplofte. Nog steeds worstelt Japan met zijn oorlogsverleden.
Auteur: Diederik Baazil – 5 augustus 2026 – uit nr. 32
© De Groene Amsterdammer
Lex Meijer praatte niet graag over zijn verleden, vertelt zijn zoon Ron (80) thuis aan de eettafel. ‘Mensen die dit soort dingen meemaken, hebben voor zichzelf een bescherming gecreëerd.’ Maar in gesprekken over vele jaren heeft hij beetje bij beetje toch een beeld kunnen reconstrueren van wat zijn vader die dag meemaakte.
Lex was aan het lassen op de scheepswerf van Mitsubishi, in de schaduw achter een boom. Eerst zag hij een grote bol in de hemel, vervolgens een flits en het volgende moment was alles om hem heen tegen de vlakte. Even ervoer hij een totaal gebrek aan geur (een sensatie die later werd toegeschreven aan psychische verdoving) en kort daarna rook hij verbrand vlees. Lex was ongedeerd, maar op anderhalve meter naast hem was zijn collega-krijgsgevangene die niet achter een boom stond van top tot teen verbrand.
Dat was 81 jaar geleden, 9 augustus 1945, 11.02 in de ochtend. Een atoombom ontplofte boven Nagasaki, nadat drie dagen eerder een eerste atoombom op Hiroshima was gegooid. Lex, een gevangengenomen Knil-militair, overleefde de atoomramp ternauwernood. De bom doodde tienduizenden onschuldigen, onder wie Nederlanders, en maakte Japan tot zowel dader als slachtoffer.
In de jaren dertig en veertig was het imperialistische Japan overduidelijk een agressor. Het viel verschillende landen aan, waaronder China, Nederlands-Indië, de Filipijnen, Korea en Amerika. Verschillende politiek leiders zijn in de Tokyo Trials (het Japanse Neurenberg) tot de dood veroordeeld. Lagere militairen zijn berecht voor grove oorlogsmisdaden in steden als Nanking en Manilla.
Maar het land kent ook slachtoffers, zoals de miljoenen burgers in 66 steden die getroffen werden door honderdduizenden Amerikaanse napalmbommen. En de ontelbare burgers in Hiroshima (140.000) en Nagasaki (75.000) die omkwamen of jarenlang doorleefden met de gevolgen.
Na de capitulatie sloeg Japan gretig de pagina om, het gedane leed werd tegen elkaar weggestreept. Amerika had een sterk Japan nodig als barrière tegen oprukkend communisme in Azië, zeker na de start van de Koreaoorlog. Voor Japanse introspectie was geen tijd.
Er waren ook Nederlandse slachtoffers en daders in dit deel van de wereld: (Indische) Nederlanders, zoals Lex, die werden vastgezet in Japanse kampen, of vrouwen die werden misbruikt als zogenoemd troostmeisje aan het front. Net vrijgekomen krijgsgevangenen werden direct weer opgetrommeld om de Nederlandse kolonie te ‘verdedigen’.
Waar Japan zijn oorlogsgeschiedenis toedekt – de atoombommen worden uitvoerig herdacht, de context waarin dit gebeurde verdwijnt steeds verder naar de achtergrond – hangt er een waas van desinteresse en victor’s justice over de westerse herinnering: de ‘echte’ Tweede Wereldoorlog vond immers in Europa plaats, de (Indisch-)Nederlandse slachtoffers en daders werden lang over het hoofd gezien en de ‘good bomb’ was noodzakelijk voor Japanse overgave, is de gedachte.
Maar de Tweede Wereldoorlog eindigde niet in Europa maar in Azië, in een vuurzee. Wie vandaag rondloopt op die plek, kan niet om de missie van de stad heen: Nagasaki moet ‘de laatste plek zijn waar een atoombom ontplofte’. Om dit doel een kans van slagen te geven in een wereld van oplopende spanningen en negen kernmachten die in hoog tempo hun arsenaal moderniseren, kunnen de donkerste pagina’s in de wereldgeschiedenis niet onbelicht blijven.
Zo’n 475 Nederlanders waren aanwezig in Nagasaki tijdens de val van de bom, verspreid over twee kampen: Fukuoka 14B (150 mensen) op 1,7 kilometer van het epicentrum en 2B (325 mensen) op zo’n tien kilometer. Dankzij de afstand kon iedereen in 2B de ramp navertellen en ondanks de nabijheid overleefden relatief veel gevangenen in 14B de bom door een combinatie van toevallige factoren. Hun verhalen bieden een uniek Nederlands venster op de slotakte van de oorlog en het beginpunt van nucleaire oorlogsvoering, maar raakten in de vergetelheid.
De laatste Nederlandse ooggetuigen van de bom zijn, zover De Groene kon achterhalen, overleden. Maar hun kinderen dragen de geschiedenis op verschillende manieren mee. De Groene sprak een aantal van hen en bezocht de kampen waar hun vaders zaten toen de bom viel. Daar zagen zij hoe Nagasaki, in de woorden van een van hen, veranderde in ‘de hel op aarde’.

Everhard Schouten als 19-jarige militair in 1941
© privéarchief familie Schouten
Dat er iets speelde in het verleden van zijn vader, vermoedde Rob Schouten al. Regelmatig schrokken zijn broers en hij wakker van het gegil dat hun zolderkamer bereikte, als hun vader Everhard een nachtmerrie had.
Op de camping in Zeeland, Rob was een jaar of vijftien, raakte zijn vader met de buurman in gesprek over de oorlog. ‘Ik vergeet dat nooit meer’, vertelt Rob, intussen 67, in zijn woonkamer aan de eettafel. De eerstvolgende keer dat zijn vader zelf over de bom begon, zou dertig jaar later zijn.
De reden dat Everhard de bom kon navertellen is toeval. Normaal was hij klinker van scheepswanden op de Mitsubishi-scheepswerf, maar die dag was hij onder de grond een tunnel aan het graven: het bedrijf wilde ondergrondse fabrieken openen als bescherming tegen Amerikaanse bombardementen. Vanuit de tunnel zag Everhard een flits, waarna een klap hem bewusteloos sloeg. Nadat hij was bijgekomen, kroop hij naar het licht en zag een ingestorte stad in brand. De aarde was zwartgeblakerd, de hemel was rood, de hitte intens en hij had ontzettende dorst.
Enkele kilometers verderop, in de buurt van het treinstation van Nagasaki, lag op dat moment een peuter van twee met koorts in bed. Het houten huis stortte in maar het kind, Masao Tomonaga, en zijn familie – moeder, opa en oma – wisten te ontkomen. Ze klauterden uit de ravage en brachten de nacht door in een tempel. De volgende dag trokken ze naar een nabijgelegen stad en zouden daar vier jaar blijven tot ze terugkeerden naar Nagasaki, dat nog altijd grotendeels plat en zwartgeblakerd was.
Intussen is Tomonaga 83. Tijdens zijn carrière als arts specialiseerde hij zich in de effecten van de atoombom op het menselijk lichaam van overlevers van de bom (hibakusha heten zij in het Japans). Hij is net terug van de VN in New York waar hij was uitgenodigd om zijn onderzoeksinzichten te delen tijdens de onderhandelingen over de herziening van het non-proliferatieverdrag voor kernwapens. In een klein zaaltje van het Hibakusha Center om de hoek van het epicentrum van de bom geeft hij die presentatie nogmaals, nu voor een publiek van één.
‘Mijn familie en ik hebben ontzettend veel geluk gehad’, vertelt hij. Bepalend voor de overlevingskansen bij een atoombom is de afstand tot het epicentrum, en wat er staat tussen jou en de bom om de hitte en straling tegen te houden. Het maakt een enorm verschil of dat een houten schutting is, een boom of een betonnen muur zoals het ziekenhuis in Nagasaki, dat ondanks de nabijheid tot de bom (achthonderd meter) relatief weinig doden te betreuren had (‘slechts’ de helft van het personeel en de patiënten overleed direct).
In een straal van een kilometer van het hypocentrum overleeft nagenoeg niemand de bom, vertelt Tomonaga, tussen één en twee kilometer is de levensverwachting grofweg vijftig procent, afhankelijk van de blootstelling. Vanaf de twee kilometer neemt de kans op overleving toe naarmate de intensiteit van de straling en hitte afneemt. Zijn huis lag net buiten die kritieke grens van twee kilometer en stond achter een heuveltje dat een extra barrière vormde tussen de slapende peuter en de radioactieve straling.
Ook zijn opa en vader waren arts. Zijn opa verloor zijn praktijk in de vuurzee, maar herbouwde die vier jaar later. Zijn vader was dokter in het Japanse leger en keerde na de oorlog terug in Nagasaki waar hij het onderzoek startte naar de tweede reeks effecten van de bom, dat zijn zoon zou voortzetten.
Dat begon met leukemie. Drie jaar na de bom steeg het aantal gevallen bij kinderen tussen de zes en twaalf schrikbarend, drie jaar later gebeurde hetzelfde bij volwassenen. ‘Voorheen had een school van duizend kinderen misschien maar één geval van leukemie per jaar’, zegt Tomonaga. ‘Na de bom steeg dat tot twee kinderen per klas.’ Een paar keer per jaar werden de hibakusha getest op de kanker. ‘Dat waren telkens ontzettend spannende momenten.’ Chemotherapie bestond nog niet, de kans op overleving na diagnose was nihil.
In Nagasaki zouden uiteindelijk 75.000 mensen overlijden, de helft van het aantal doden in Hiroshima. Waar Hiroshima volledig plat is, verkleinden de heuvels het gebied van impact in Nagasaki. En omdat het bewolkt was boven Nagasaki werd de bom niet gegooid in het stadscentrum, zoals in Hiroshima, maar noordelijker.
Het merendeel van de slachtoffers in Nagasaki is Japanner, maar er waren ook veel Koreaanse, Chinese en Taiwanese dwangarbeiders in de stad, enkele Europese katholieke priesters en honderden krijgsgevangenen uit Australië, de VS, Groot-Brittannië en Nederland. De Nederlanders vormden de grootste groep.
Kamp 2B, op tien kilometer, bleef op enkele omgevallen muren na ongedeerd. 14B, op 1,7 kilometer van het epicentrum, werd totaal verwoest. Op het moment van ontploffing waren de krijgsgevangenen aan het werk in een fabriek van Mitsubishi naast het kamp of iets verder weg. De meeste bronnen melden acht direct overleden krijgsgevangenen uit 14B, zeven Nederlanders en een Brit, en tientallen gewonden.

Lex Meijer ging op 30 oktober 1946 in ondertrouw met de moeder van Ron Meijer Geertruida Gusta Verdouw
© privéarchief familie Meijer
Op het plein van het Vredespark in Nagasaki staat een klas Japanse jongeren in schooluniform. Ze staan in rechte lijnen naast en achter elkaar en lezen omstebeurt een tekst voor. Vervolgens gaan ze op de grond zitten en blijven enkele minuten stil. Wanneer ze vertrekken dient zich een volgende schoolklas aan en herhaalt het ritueel zich. Het is zondag, maar de stad wemelt van de scholieren op excursie.
Ook in Hiroshima tref je veel scholieren. Het Japanse onderwijs besteedt veel aandacht aan ‘vredeseducatie’ en de twee steden die werden getroffen door de atoombom worden vaak bezocht; zo’n zeshonderdduizend Japanse scholieren doen jaarlijks een van de steden aan. Een vast onderdeel van zo’n excursie is een bezoek aan het Atoombom Museum. Dat zijn in beide steden indrukwekkende musea met persoonlijke verhalen van slachtoffers en gruwelijke foto’s. Ze maken de genadeloze kracht van de bom inzichtelijk met vervormde artefacten: gesmolten kinderfietsen en glazen flessen.
Hoewel scholieren veel leren over het leed dat de bommen veroorzaakten, blijft informatie over de context gebrekkig. De hoek ‘Events leading up to the Nagasaki atomic bomb’ begint in mei 1943, anderhalf jaar na de Japanse aanval op Pearl Harbor (elders wordt het bombardement wel kort genoemd). Die kritiek, die al vaak klonk over beide musea, wordt gepareerd met het argument dat het geen oorlogsmuseum is, maar dat het zich focust op de verschrikkingen van de bom.
Maar de Atoombom Musea vormen geen uitzondering. Geschiedenis in Japan is buitengewoon politiek en het geschiedenisboek van scholieren vormt al jaren een strijdtoneel tussen conservatieve en progressieve Japanners. Voorlopig heeft die eerste groep de overhand, zegt Nakano Koichi, professor Japanse politiek aan Sophia University in Tokio. Dat is terug te zien in de boeken en het kennisniveau van jonge Japanners. ‘In het algemeen weet de gemiddelde Japanse student weinig van de eigen oorlogsgeschiedenis.’
Een vergelijkbare strijd woedt in het Atoombom Museum van Nagasaki, vreest Teruhisa Minami, inwoner van de stad. Het museum staat voor een renovatie die in maart 2027 afgerond moet zijn, en voor die tijd wordt ook de tentoonstelling onder de loep genomen. Recent deelde het museum een voorlopig voorstel voor de inhoud van de nieuwe tentoonstelling. Teruhisa schrok en tekende samen met andere bewoners protest aan.
Cruciale woorden worden aangepast of verzacht, vertelt de pensionado. ‘Nanjing Massacre’ – dat verwijst naar de afslachting van tienduizenden (de schattingen lopen uiteen tussen honderd- en driehonderdduizend) Chinese soldaten en burgers in 1937 na verovering van de stad door Japan – zou ‘Nanjing incident’worden, zegt Teruhisa. Ook is er volgens hem minder aandacht voor krijgsgevangenen.
De motivatie voor zijn protest is simpel. Hij is 77 en maakte de atoombom zelf niet mee, maar zijn vader verloor zijn drie dochters van drie, vijf en elf en zijn negenjarige zoon. Hij ziet nu hoe de Japanse geschiedenis steeds meer wordt verhuld, en dat vindt hij gevaarlijk. ‘Het Nagasaki Atoombom Museum moet dienen als moreel kompas voor de toekomst zodat een dergelijke tragedie zich nooit meer herhaalt. Dat is een historische opdracht, toevertrouwd door zowel de doden als de levenden.’

Interieur van het Nagasaki Atomic Bomb Museum met de reconstructie van de Urakami-kathedraal 9 mei 2026 – © Quintus van der Bijl / Privé archief
Interieur van het Nagasaki Atomic Bomb Museum met de reconstructie van de Urakami-kathedraal 9 mei 2026 – © Quintus van der Bijl / Privé archief
Zijn vader heeft nooit in details willen treden over de uren en dagen na de bom, zegt Rob Schouten. ‘Wellicht heeft hij sommige herinneringen ook voor zichzelf geblokkeerd’, denkt hij.
Nadat Everhard uit de tunnel was gekrabbeld, vluchtte hij met krijgsgevangenen en bewakers de heuvels in. Onderweg nam hij een oude Japanse vrouw met ernstige brandwonden op de rug. Met zijn mede-krijgsgevangenen ging hij vervolgens de stad in om lijken te ruimen. In die paar dagen heeft zijn vader honderden lijken opgestapeld en verbrand, vermoedt zijn zoon, tot ze bericht kregen dat Japan zich had overgegeven: de bewakers leverden hun wapens in bij de ex-krijgsgevangenen.
Twee weken later arriveerden Amerikaanse schepen in de haven van Nagasaki. Everhard stapte op om via Manilla terug te varen naar wat toen weer even Nederlands-Indië was. Hij werd ingedeeld als chauffeur van kapitein Raymond Westerling, commandant van de Speciale Troepen die de revolutie neer moest slaan. Na een jaar vroeg Everhard overplaatsing aan, vertelt zijn zoon. ‘Hij kon de standrechtelijke executies niet meer aanzien.’
In de tussentijd was de Amerikaanse generaal Douglas MacArthur aangesteld als Supreme Commander van Japan. Hij moest de transitie van een imperialistisch naar een pacifistisch land in goede banen leiden en besloot dat het aanblijven van keizer Hirohito, sinds 1926 in functie, noodzakelijk was voor de stabiliteit. Tijdens de Tokyo Trials werd de keizer doelbewust uit de wind gehouden, zo beschrijft historicus John Dower in zijn boek Embracing Defeat.
‘De keizer was geen Hitler of Mussolini’, zegt professor Nakano, maar ook zeker geen trekpop. Daarom was het fout om hem te sparen, vindt hij. Ook voor Dower is dit een oorzaak van het gebrekkige historische besef in Japan. ‘Als de hoogste seculiere en geestelijke autoriteit van het land geen verantwoordelijkheid draagt voor de gebeurtenissen, hoe kun je dan zelfreflectie van gewone onderdanen verwachten?’
Tegelijkertijd ontstond in Amerika en de rest van het Westen het beeld van de ‘good bomb’: de atoombom zou noodzakelijk zijn geweest om nog meer slachtoffers te voorkomen. De eerste barstjes in dit narratief werden geslagen door New Yorker-journalist John Hersey in 1946; hij wist de censuur van het Amerikaanse leger te omzeilen en bracht het leed in Hiroshima naar Amerikaanse huiskamers.
Al in 1945 rapporteerde een gezant van de president vanuit Japan dat de atoombommen de overgave slechts ‘met enkele dagen’ hadden versneld. Een jaar later concludeerde het United States Strategic Bombing Survey dat de atoombommen niet noodzakelijk waren voor overgave: de economie was al verwoest, een blokkade zou de rest hebben gedaan. Daar valt wat op af te dingen: ook in dit scenario waren veel krijgsgevangenen en burgers overleden vanwege voedseltekort. De Japanse regering had aangetoond zonder schroom duizenden burgers en soldaten (naar schatting tweehonderdduizend in de slag om Okinawa) te offeren aan een verloren strijd.
Dominant is het frame dat Japan niets wilde weten van een diplomatieke overgave. Maar zijn regering probeerde wel degelijk te onderhandelen en dat wist men in Washington. Volgens verschillende Japanse historici had het werpen van de atoombommen meer met Stalin dan met Japan te maken. De VS vreesden oprukkend communisme in Azië en de atoombom dwong Japan tot een snelle overgave voordat Stalins leger voet aan land kon zetten. En passant kon de Sovjet-Unie zien wat de VS in huis hadden.
Historicus Barton Bernstein ontkrachtte een andere mythe. Op basis van gedeclassificeerde notulen en verslagen concludeerde hij dat er nooit een bewuste beslissing is genomen om de atoombom te gooien op Japan. Het Manhattan Project (de ontwikkeling van de bom) was een rijdende trein met ‘assumptie van gebruik’ schrijft hij, ingegeven door de miljarden aan ontwikkelkosten en een geërodeerde morele barrière na de honderdduizenden napalmbommen die al op Japanse steden waren gegooid (met driehonderdduizend Japanse burgerdoden tot gevolg).
Deze aanname werd nooit bevraagd, ondanks wisselingen van president – van Roosevelt naar Truman – en doel – van nazi-Duitsland naar imperialistisch Japan. Er volgde slechts een actieve beslissing tot stoppen na Nagasaki, toen president Harry Truman op 10 augustus het gooien van nog meer atoombommen een halt toe riep.

Reddingskolonne op zoek naar gewonden in Nagasaki, augustus 1945 – © Spaarnestad / Nationaal Archief
Vanaf de berg Inasa heb je perfect zicht op het Nagasaki van nu. Aan de andere kant van de rivier, centraal in de stad, ligt Deshima, het kleine eilandje waar Nederlandse VOC-schepen vanaf 1641 aanmeerden en dat ruim tweehonderd jaar fungeerde als enige toegangspoort voor de internationale handel met Japan. Nu is het een openluchtmuseum. Je kunt de haven bezoeken waar in 1942 de Hellshipsbinnenvoeren met aan boord Lex Meijer, Everhard Schouten en de lijken van krijgsgevangenen die tijdens de reis waren overleden. En de scheepswerf van Mitsubishi waar ze na aankomst te werk werden gesteld en waar nog altijd oorlogsschepen worden geproduceerd.
Op de plek waar ooit kamp 14B stond is nu het Peace Stadium verrezen, de moderne thuisbasis van voetbalclub V-Varen Nagasaki (de naam is geïnspireerd op de handelsgeschiedenis met Nederland; letterlijk varen). Achter het stadion liggen de heuvels waar de gevangenen omhoogklommen na de ontploffingen van de bom, op de vlucht voor de woekerende vuurzee. Ten noorden vind je het Atoombom Museum en het vredespark, rond het epicentrum van de bom, nu minder volgebouwd met huizen, maar voller dan ooit met monumenten, gedenkstenen en fonteinen. Dit alles is omlijst door een groen glooiend landschap, schiereilanden en een glinsterende blauwe oceaan.
In het vredespark, op een heuveltje naast het museum, zijn op 10 mei een groep Japanners en enkele Nederlanders verzameld. Sinds 2021 staat hier een monument voor kamp 14B, een initiatief van Rob Schouten, zijn vrouw Lies en zijn vriend Ruud van Kraaij, grotendeels gefinancierd vanuit Nederland (Mitsubishi reageerde nooit op een verzoek om bij te dragen). De gemeente stelde een prominente plek ter beschikking en het monument wordt onderhouden door de hibakusha-gemeenschap. ‘In memory of POW (prisoner of war – db) camp 14B’ staat er groot op de steen.
Voor het monument, dat is geïnspireerd op het dak van de barak en versierd met Japanse kraanvogels, staan rijen met stoelen in de schaduw van de bomen. Er is opvallend veel Japanse pers aanwezig en langslopende toeristen komen een kijkje nemen. Om 11:02 precies, het tijdstip dat de bom werd gegooid, start de jaarlijkse herdenking. Een Nederlandse diplomaat neemt het woord, ook hibakusha-dokter Tomonaga houdt een speech, gevolgd door de eregasten: de zoon en kleindochter van Lou van der Bijl die als krijgsgevangene in het kamp zat. Na afloop worden zij door Japanse journalisten omsingeld voor interviews.
De burgemeester van Nagasaki, Shiro Suzuki, is nog nooit bij een herdenking van een van de twee kampen geweest, vertelt hij een paar weken later. Niet omdat hij het onbelangrijk vindt – hij heeft ‘diep respect’ voor de Nederlandse krijgsgevangenen – maar omdat hij telkens ‘andere verplichtingen’ heeft. Daarnaast worden op de jaarlijkse herdenking van de atoomramp op 9 augustus ‘alle slachtoffers van de bom herdacht’, ook de Nederlanders, zegt hij.
Ook Suzuki was bij de VN in New York waar hij zich – tot zijn teleurstelling zonder succes – hard maakte voor een aanscherping van het non-proliferatieverdrag voor kernwapens. Ook is hij actief in het netwerk van Mayors for Peace, als vicevoorzitter. Net als zijn voorgangers draagt hij het motto van de stad, dat groot op de muur van het Atoombom Museum staat, internationaal uit: ‘Nagasaki moet de laatste zijn’.
Wanneer het gesprek komt op de eigen Japanse geschiedschrijving, de op handen zijnde veranderingen in het museum, en hoe dit zich verhoudt tot de missie van de stad, wordt het snel politiek. De vertaler vraagt om extra tijd om dit ‘gevoelige onderwerp’ goed onder woorden te brengen, waarna de burgemeester antwoordt dat Japan zijn geschiedenis niet probeert te ‘veranderen of vaag te maken’, maar te presenteren op basis van ‘officiële documenten van de overheid en de Japanse tekstboeken’.
Het is een terugkerend patroon. De oproep voor vrede en non-proliferatie is doorleefd, en er is diep respect voor buitenlandse slachtoffers van de bom. Maar als het gaat om de historische context, ligt het allemaal al gauw een stuk gevoeliger. Chinees leed wordt in Japan openlijk gebagatelliseerd, westers leed wordt diplomatieker weggemoffeld.
Zo stuitte men bij de bouw van het Peace Stadium in 2022 op de fundering van het voormalige kamp dat resteerde na de atoombom. Waar de relieken van de bom normaal gesproken worden bewaard, werd deze fundering afgevoerd. Ze vertoonden geen duidelijke sporen van de bom, was de conclusie, tot verbazing van lokale burgers. Het enige wat op deze plek nog herinnert aan het kamp is een informatiebord, aan de achterkant van het stadion. De paar toevallige voetgangers die het passeren, lopen er achteloos aan voorbij.
Ook de tekst is kenmerkend. Het begint met ‘at 11:02 a.m, on August 9, an atomic bomb dropped by a US Air Force B29 bomber exploded’ en vervolgt verderop: ‘while the prisoners were at work (…) the bomb exploded, and they were hit by the powerful heat ray and blast wind, eight of them being killed’. Feitelijk correct en inderdaad verschrikkelijk, maar het is veelzeggend welke informatie ontbreekt: voor de atoombom waren er al zeker honderd krijgsgevangenen overleden aan de zware werkomstandigheden, ondervoeding, ziektes of simpelweg fysiek geweld. Rob Schoutens vader vertelde Rob over onthoofdingen in het kamp.
Ron Meijer heeft een vriendelijk gezicht, een kalme stem, nuchtere Hollandse inslag en onmiskenbaar Aziatische trekken in zijn uiterlijk. Hij belichaamt als geen ander de modderige werkelijkheid van oorlog. Zijn moeder komt uit wat toen Nederlands-Indië was, zijn vader Lex Meijer die de atoombom overleefde, is eigenlijk zijn stiefvader. Zijn biologische vader is Japanner, een marineman die gelegerd was in Makassar, een stad linksonder in de poot van Zuid-Celebes, tijdens de ruim drie jaar dat Japan Indonesië in handen had.
Veel Nederlands-Indische (en Koreaanse, Filipijnse, Chinese) meisjes zijn in die periode meegenomen en misbruikt, gedwongen tot prostitutie. Maar Ron is ontstaan uit een liefdesrelatie, zegt hij. Sterker nog, zijn biologische vader heeft een belangrijke rol gespeeld in het voorkomen van een dusdanig lot voor zijn moeder en haar zussen toen de razzia’s door de stad trokken.
Ron werd geboren net na de oorlog, in 1946. Zijn biologische vader was na de capitulatie gedwongen te vertrekken. Hij was nog een baby toen zijn moeder en stiefvader elkaar in Nederlands-Indië ontmoetten en trouwden. Lex was net teruggekeerd uit Nagasaki en moest nu oude schoolvrienden arresteren die streden voor vrijheid. In 1950 vluchtte het jonge gezin naar Nederland nadat hij zelf in het vizier was komen te staan van diezelfde vrienden.
Ron leerde pas op late leeftijd dat Lex niet zijn biologische vader was, en veel viel op zijn plek. Op zijn vijftigste dook hij de archieven in, in de hoop de naam van zijn biologische vader niet terug te vinden in rechtbankverslagen van berechtingen van Japanse oorlogscriminelen in Singapore. Hij las er honderden, vond zijn vader niet maar verbitterde wel. ‘Ben ik een kind van zo’n wreed volk? Ik wil daar niet bij horen.’
De ommekeer kwam in 1998. Hij meldde zich aan voor een ‘verwerkingsreis’, aangeboden door de Japanse overheid aan slachtoffers van de oorlog, en nam zijn stiefvader mee. Hij zag Japanse kinderen en herkende zichzelf van kinderfoto’s. ‘Ik snap dat mijn stiefvader daar last van had’, zegt hij. Op een receptie kwam een vrouw naar hem toe en wees naar een Japanse man. ‘Hij was de kampcommandant van je stiefvader’, zei ze, ‘mag hij vergeving komen vragen?’
Zijn biologische vader vond hij nooit, maar de relatie met zijn stiefvader verdiepte. Samen stonden ze aan de poort van de Mitsubishi-scheepswerf waar Lex de atoombom overleefde. Ze waren niet welkom, maar na enig aandringen werden ze toch binnengelaten. ‘Hier stond ik’, concludeerde zijn vader na een tijdje rond te hebben gekeken.
Sinds die reis praat Ron graag over zijn geschiedenis, als een soort traumaverwerking: met schoolklassen, in lezingen en nu in dit interview. ‘In mijn klassen zeg ik altijd: in een oorlog is het niet zwart-wit, er is een heel groot grijs gebied.’
Everhard Schouten keerde nooit terug naar Japan, maar zoon Rob reisde in 2015 ‘met een zak vol vooroordelen’ naar Nagasaki. Daar trof hij een andere wereld dan verwacht, zijn vrouw en hij werden ontvangen als ‘koning en koningin’. Het monument voor kamp 14B, gerealiseerd in samenwerking met lokale vrijwilligers uit de hibakusha-gemeenschap, is expliciet bedoeld om te verzoenen.
Ook zijn vader kende een doorbraak: als een van de weinige buitenlanders kreeg hij de officiële status van hibakusha, overlever van de bom, toegekend van de Japanse overheid. Praktisch betekent dat dat hij een zorgvergoeding kreeg en werd bijgeschreven in het Atoombom Museum. ‘Voor mijn vader was het vooral een erkenning van zijn leed’, zegt Rob.
Het zorgde ervoor dat zijn vader op late leeftijd meer begon te vertellen over zijn verleden. In een interview met een Japanse documentairemaakster sprak hij, tot Robs verbazing, over vergeving. Tijdens de koffie in het tehuis waar hij de laatste jaren van zijn leven woonde, vertelde hij zijn zoon dat hij niet alleen Japan had vergeven, maar ook Amerika. Voor het gooien van de atoombom die hem bevrijdde, zijn collega-krijgsgevangenen het leven kostte en hem levenslang nachtmerries bezorgde.
Dit artikel is mogelijk gemaakt dankzij steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl). Ook dank aan Kazuhiro Ihara, die als vrijwilliger werkt voor hibakusha-verenigingen en monumenten voor Nederlandse krijgsgevangenen, en aan de kinderen van voormalige Nederlandse krijgsgevangenen die wilden praten. Meer informatie over kamp 14B en de krijgsgevangenen is te vinden op fukuoka14b.org.